Het ovenbelletje gaat over en ik hoor de garagedeur open gaan. Hij is thuis. Ik haal snel de risotto uit de oven en plaats deze op onze eettafel; het middelpunt van de grote keuken.

Zoals altijd, ziet de tafel er mooi uit. Het gouden bestek steekt glanzend uit bij het lichtbruine tafelkleed. Het licht van de donkerbruine kroonluchter weerkaatst op de parelkleurige borden. De kleuren van het menu passen goed bij de verschillende bruine tinten van de keuken: het oranje van de salade met geroosterde wortel en kikkererwten, de beige paddenstoelenrisotto van parelgort met makreel en de donkerbruine tarte tartin met peer. Ik hoor voetstappen dichterbij komen.

Ik kijk om en zie Barend staan in de keukendeur. Met gesloten ogen neemt hij de geuren op. Dan doet hij zijn ogen open en kijkt mij recht aan. Mijn handen beginnen te trillen, maar dan glimlacht hij. Dit zegt niets, maar toch ontspan ik. Hij loopt langzaam naar het hoofd van de tafel en laat zijn taxerende blik over het 3-gangen diner gaan. Mijn ogen volgen gespannen mee. Mijn hart klopt in mijn keel.

Na plaats te hebben genomen op de hoofdstoel, pakt Barend zijn kleine proeflepel. Die ligt altijd naast zijn bestek. Een klein gouden lepeltje met aan het einde van de steel een witte parel. Dit was van zijn moeder geweest. Van elk gerecht neemt hij een hap en dan volgt er stilte. Doodse stilte. Na enkele minuten, die een eeuwigheid duurden, hoor ik hem zeggen, ‘Isa, kom zitten’. Ik haal opgelucht adem.

Vandaag ben ik veilig. Vandaag ben ik op tijd. Vandaag is alles perfect.