Isa doet de zware deur van het grote notariskantoor dicht. Het notariskantoor waar ze werkt, is gehuisvest in een monumentaal pand. Het pand is omringd door een antiek smeedijzeren hekwerk. Ze loopt naar de deur van het hek, genietend van het geluid van het grindgesteente onder haar hakken, en doet deze op slot. Vandaag is er geen haast om naar huis te gaan, dus wandelt ze langzaam richting het park. Dit ligt twee straten verderop. Het park is omsingeld met struiken en bomen. Ze loopt door het met klimop begroeide poortje en gaat op een van de houten bankjes zitten. Haar overgebleven boterhammen van de lunch voert ze aan de vogels. Terwijl de vogels om haar heen in de broodkruimels prikken, rust haar blik op de pracht van het park: de waterfontein. De ronde waterfontein bevindt zich precies midden in het park en vier stenen gargouilles spuwen water. Isa doet haar schoenen uit en loopt de gargouilles tegemoet.